Montessori basisschool
           Roermond

WAAR DE SCHOOL VOOR STAAT

2.1 Kernpunten van de montessori-werkwijze
Maria Montessori

In de Montessorischool wordt gewerkt volgens de ideeën van Maria Montessori (1870-1952). Zij was een Italiaanse arts die wereldwijd bekend werd vanwege de door haar ontwikkelde onderwijsmethode. Gepromoveerd in de geneeskunde, wijdde zij zich geheel aan de opvoeding van kinderen die in hun ontwikkeling achter gebleven waren. Later richtte zij zich ook op de opvoeding van normale kleuters. Haar natuurmethode omvatte spoedig ook het lager onderwijs. Vanaf 1937 woonde zij in Nederland en in 1950 ontving zij op 80-jarige leeftijd een eredoctoraat aan de Universiteit van Amsterdam.
Zij heeft zich haar leven lang ingezet voor wat zij 'de rechten van het kind' noemde. Ze bedoelde daarmee dat het kind recht heeft op onderwijs en opvoeding die gericht zijn op een volledige en vrije ontplooiing, waardoor het kind de kans heeft een gelukkig mens te worden. In het hierna volgende worden de kernpunten van haar visie uitgewerkt.

Ontwikkeling
Maria Montessori was er diep van overtuigd dat de eerste levensjaren van een kind van het grootste belang zijn. Vanaf het moment van de geboorte heeft het kind nog een lange weg van ontwikkeling te gaan, vooral in geestelijk opzicht.
Een kind maakt in de eerste jaren van het leven een geweldige ontwikkeling door: van een klein wezentje, volslagen hulpeloos en afhankelijk, tot de persoonlijkheid die het eens zal zijn.
Volgens Montessori verloopt de ontwikkeling van de mens volgens een bepaald grondplan. Dit bestaat uit een aantal opeenvolgende fasen die ieder mens doorloopt. Elk van deze ontwikkelingsfasen staat niet op zichzelf, maar legt de basis voor de volgende.

De periode van O tot 3 jaar
In deze periode ontwikkelt het kind zich via zijn 'absorberende geest'. Hiermee wordt gedoeld op de heel speciale wijze waarop het jonge kind informatie uit zijn omgeving opneemt. De indrukken, die het kind onbewust opdoet, dringen door in zijn 'innerlijke leven' en het kind verandert er door. Hij bouwt aan zijn persoonlijkheid. Die omgeving moet dan ook zodanig zijn, dat het kind ervan kan profiteren. Het kind selecteert uit zijn omgeving datgene wat het nodig heeft om bepaalde functies (praten, lopen, waarnemen enz.) te ontwikkelen. Dit selectief gericht zijn op bepaalde aspecten van de omgeving weerspiegelt een gevoelige periode van het kind. De taak van opvoeders is het kind de gelegenheid te geven veel indrukken en ervaringen op te doen.

De periode van 3 tot 6 jaar
Dit is de periode waarin kinderen bewust indrukken opdoen. Het is de 'gevoelige periode' voor het opdoen van zintuiglijke ervaringen, voor waarnemingen in de omgeving, voor het leren van woorden en voor oefeningen uit het dagelijks leven. Een kenmerk van het kind is dat het zelf wil handelen en dat het aandacht heeft voor het nauwkeurige verloop van handelingen. Het kind herhaalt met plezier vele malen die aangeleerde handelingen vanuit een innerlijke behoefte.
Van groot belang is een goed voorbereide omgeving waarin het kind aan zijn behoefte tot ontwikkeling kan en mag voldoen.

De periode van 6 tot 12 jaar
In deze periode zijn de behoeften van de kinderen veranderd. Zij willen zich nu aansluiten bij anderen en gezamenlijk activiteiten ondernemen. Hun belangstelling voor normen, waarden en regels is groot. Ze zijn in de 'gevoelige periode' voor het opnemen van kennis en het verkrijgen van inzicht in de cultuur waarin ze leven. Montessori vindt het belangrijk dat kennis en maatschappelijke / sociale ervaringen tegelijkertijd worden verworven.
Volgens Maria Montessori is iedere mens dan ook 'gemaakt' om te leren. De ontwikkelingen, die het kind de eerste levensjaren doormaakt, vinden plaats in wisselwerking met de omgeving waarin het kind opgroeit. Ouders, broertjes en zusjes, andere familieleden, maar ook het land en de cultuur waar het kind ter wereld komt, maken deel uit van die omgeving. Allerlei indrukken prikkelen het kind om zich te ontwikkelen. Het is belangrijk dat deze prikkels een positief karakter hebben en tegemoet komen aan de basisbehoeften van een kind. Een kind heeft behoefte aan veiligheid en liefde, maar ook aan interessante bezigheden waarmee hij of zij de wereld kan ontdekken.
Naast het karakter, de mogelijkheden en het temperament van het kind is de kwaliteit van de omgeving in belangrijke mate bepalend voor de ontwikkeling van een kind.

Zelfstandigheid
Maria Montessori was van mening, dat aan de energie die een kind in zijn ontwikkeling steekt, een onbewuste doelgerichtheid ten grondslag ligt: het kind wil groot worden. Zich bevrijden uit een toestand van afhankelijkheid en steeds zelfstandiger worden, is voor elk kind een levenszaak van de eerste orde. Het proces van 'groot' worden, moet het kind zelf volbrengen: niemand kan dat voor hem of haar doen. Daarom is het volgens Montessori zo belangrijk dat het kind de vrijheid krijgt zijn omgeving te ontdekken en de dingen zelf te doen die het zelf ook kan. Het kind heeft daarbij de hulp van de volwassenen in zijn omgeving nodig. Het motto 'help mij het zelf te doen' vormt dan ook de kern van het Montessori onderwijs en de Montessori opvoeding.
In onze school wordt de leerling dan ook gestimuleerd en geholpen om zelfstandig te werken en zelf oplossingen te vinden bij de zich voordoende problemen. Aan de ontwikkeling van het zelfvertrouwen wordt grote aandacht besteed. Indien nodig wijst de leerkracht het kind de te volgen weg, eventueel door het geven van gerichte opdrachten (dus niet vrijblijvend).

Differentiatie.
Door het aanbrengen van verschil in hoeveelheid en moeilijkheidsgraad van de leerstof wordt tegemoet gekomen aan het verschil in aanleg en werktempo van de leerling. Maria Montessori gaat uit van 'gevoelige perioden'. Niet ieder kind is bijvoorbeeld op hetzelfde moment aan lezen toe. Op een Montessorischool leert het kind lezen als het er aan toe is. Dit begint in de kleutergroep.

Samenwerking.
Op een Montessorischool leert een leerling een ander te helpen, om hulp te vragen en rekening te houden met elkaar. De leerling ervaart, dat samenwerking een meerwaarde heeft. Binnen dit sociaal verband blijft de leerling verantwoordelijk voor zijn eigen werk, de taken en de omgeving.
Tegenover die rechten staan ook regels. De kinderen mogen elkaar niet storen. Ze mogen pas aan een nieuw werkje beginnen als het vorige werkje klaar is.

Hulp van de ouders.
Volwassenen kunnen het kind helpen door goed te kijken naar het kind, naar wat het onderneemt en naar zijn behoeften. Zij kunnen het kind hulp bieden door goede voorwaarden voor ontwikkeling te scheppen. Ouders creëren thuis een situatie waarin het kind 'aan het werk kan'. Dit doen zij door mogelijkheden te bieden en ruimte voor activiteiten te maken én waar nodig grenzen te stellen. Montessori vindt het van belang, dat de ouders in dit geheel oog krijgen voor de eigenheid van het kind, om het behoedzaam en liefdevol op weg te kunnen helpen naar een volledige ontplooiing van de persoonlijkheid. Zij beschreef de taak van de volwassene in de volgende woorden: 'prikkelen tot leven, maar vrij laten in ontwikkeling'.

Leeromgeving
Ook in de school moeten de leerkrachten een omgeving scheppen, waarin de kinderen materialen en activiteiten vinden die passen bij hun ontwikkeling en belangstelling. Hierdoor is de kans groot dat kinderen hun aangeboren nieuwsgierigheid behouden. De ontwikkeling van kinderen verschilt per kind. Hierop wordt op allerlei manieren ingespeeld.
In een Montessori-groep zitten kinderen van verschillende leeftijden bij elkaar (onderbouw, middenbouw en bovenbouw), waardoor zij op veel verschillende manieren met elkaar kunnen samenwerken en elkaar kunnen helpen.

Vrije werkkeuze
Tijdens het dagelijks werken in de groep wordt tegemoet gekomen aan de spontane belangstelling: de kinderen kiezen in een bepaalde mate hun eigen werk.

Montessori materiaal
In het Montessori onderwijs neemt het materiaal waarmee de kinderen leren en zich ontwikkelen, een belangrijke plaats in. Het materiaal werd door Maria Montessori ‘ontwikkelingsmateriaal’ genoemd. De kinderen werken met behulp van het materiaal aan hun eigen ontwikkeling. Het materiaal vormt een noodzakelijk onderdeel van de 'voorbereide omgeving': de stimulerende omgeving waarin het kind kan werken. Het materiaal dient als hulpmiddel voor leerling en leerkracht. Met concreet en symbolisch materiaal krijgt het kind inzicht in moeilijke en abstracte begrippen. Het materiaal nodigt uit om zoveel mogelijk zintuigen te gebruiken teneinde de stof te verwerken. Het nodigt ook uit tot spontane herhaling van de handeling(en). Hierdoor en door de manier waarop kinderen ermee kunnen werken, gaan ze echt in hun bezigheid op. De kinderen ervaren dat een handeling gevolgd wordt door inzicht en kennis. Het kind kan zelf bepalen of
het materiaal nodig heeft. Dit heeft een grote vormende waarde. Het materiaal is vaak ook zelfcorrigerend, waardoor de leerlingen zonder inmenging van de leerkracht hun 'fouten' zelf kunnen ontdekken. Montessori's bekende zegswijze ‘Help mij het zelf te doen’ illustreert de functie van het materiaal. Het materiaal vormt voortdurend een uitnodiging en dat is precies waar het om gaat.
In de onderbouw wordt veel met materiaal gewerkt. Bij het onderwijs aan kleuters (onderbouw) komen veel ontwikkelingsgebieden aan bod: lichamelijke en zintuiglijke ontwikkeling, de ontwikkeling op het gebied van taal, muziek en het omgaan met elkaar. Al spelende leren de kinderen heel veel. Alle ervaringen met bouw- en constructiemateriaal, het spelen in de hoeken (poppen-, lees-, schrijf- en bouwhoek), spelmateriaal binnen en buiten, zijn belangrijk. De kinderen beleven aan den lijve abstracte begrippen als hoog/ laag, dik/ dun, veraf/ dichtbij. Het materiaal is gericht op het waarnemen van verschillen, overeenkomsten en rangorde en geschikt voor het oefenen van de beweging. Met behulp van het zintuiglijk materiaal krijgen de begrippen een naam en gaan de kinderen verschillen en overeenkomsten opmerken.
Ook in de middenbouw wordt veel met ontwikkelingsmateriaal gewerkt. Pas aan het eind van de middenbouw en het begin van de bovenbouw begint het materiaal plaats te maken voor een meer abstracte wijze van omgaan met de leerstof. Het materiaal maakt een vloeiende overgang van concreet, via symbolisch naar een abstract denkniveau.
Het materiaal moet aan bepaalde eisen voldoen om montessorimateriaal te mogen heten. Deze eisen zijn onder meer dat het materiaal er aantrekkelijk uit moet zien, dat het een zelfcontrolerend karakter moet hebben en dat het de mogelijkheid moet bieden steeds meer ingewikkelde handelingen te laten verrichten. Datgene waar het materiaal de aandacht op vestigt moet duidelijk naar voren komen.
Mede door het gebruik van het materiaal verwerven de kinderen in de loop van hun ontwikkeling een grote mate van zelfstandigheid. Het materiaal wordt doorlopend beoordeeld op zijn waarde en toepasbaarheid. In onze school is het gebruik van het montessorimateriaal echter geen doel op zichzelf (zie hieronder bij ‘eigentijdse aanpak’).

Taak van de leerkracht
Maria Montessori gaf de kinderen veel rechten. Binnen het montessorionderwijs heeft de groepsleraar geen dominerende rol. De groepsleraar moet de stimulerende begeleiding geven die het kind voor zijn ontwikkeling nodig heeft. Met individuele en groepslessen stimuleert en begeleidt de leerkracht het leerproces van ieder kind individueel. Het kind wordt aangemoedigd om het niveau te behalen dat voor hem of haar haalbaar is. Steeds worden er wegen gezocht om het kind daartoe innerlijk te motiveren.

Een Montessori leerkracht moet het kind goed observeren. Hij ziet erop toe dat het kind een verantwoord leerstofaanbod krijgt. Hij houdt de ontwikkelingsgang van het kind goed in het oog en registreert dat om op het juiste moment nieuwe impulsen te geven. De groepsleraar moet op de juiste momenten nieuwe leerstof aanbieden en het Montessori materiaal demonstreren, zodat het kind, vanuit het ontwikkelingspunt dat het bereikt heeft, zichzelf weer een stukje verder kan helpen. De leerkracht is dikwijls te vinden te midden van de kinderen.
Elk kind wordt door de groepsleraar individueel beoordeeld. Deze beoordeling en de bespreking van de werkzaamheden van het kind vinden plaats in het licht van de mogelijkheden van ieder individueel kind. De ontwikkeling van het kind wordt bijgehouden in een leerlingvolgsysteem. De school geeft geen cijferrapporten. Minstens tweemaal per jaar wordt de ouders de gelegenheid geboden het leerlingvolgsysteem te bekijken en nader te bespreken met de leerkracht tijdens de zogenaamde praatavonden. Tevens ontvangen de ouders twee maal per jaar een 'werkboek' waarin de eigen activiteiten van hun kind zichtbaar worden. Indien de ouders tussentijds over hun kind geïnformeerd willen worden, kunnen zij een afspraak daartoe maken met de groepsleerkracht

Leefgemeenschap
De school is een leefgemeenschap van kinderen, leid(st)ers en ouders. Iedereen heeft een taak in het geheel en heeft de verantwoordelijkheid zijn of haar stukje daarin zo goed mogelijk gestalte te geven. Bij deze samenwerking moet men zich realiseren, dat de taak voor ieder anders kan zijn en dat onze mogelijkheden daarin niet gelijk zijn. Samenleven met anderen heeft ook zo zijn beperkingen. Montessori spreekt in dit geval van ‘vrijheid in gebondenheid’. In het samenwerken met elkaar is het belangrijk gelijkwaardigheid en wederzijds respect na te streven: van leerkracht naar kind, van kind naar volwassene en als volwassenen en kinderen onder elkaar.
Binnen de leerstof, die zowel individueel, groepsgewijs als klassikaal wordt aangeboden, hebben de leerlingen een grote vrijheid de volgorde te bepalen. Daarnaast kunnen zij naslagwerken raadplegen, hulp in roepen van de leerkracht of een medeleerling.

Doel
Het doel, dat de ouders en de school nastreven, is van gelijke aard: de kinderen de nodige hulp bieden, waardoor zij zich kunnen ontwikkelen tot zelfstandige persoonlijkheden, die verantwoordelijkheid kunnen en willen dragen voor zichzelf, hun omgeving en de samenleving waarvan zij deel uitmaken. Voor onze school is het gedachtegoed van Montessori daarbij een leidraad.

Eigentijdse aanpak
De beginselen van Montessori zijn van blijvende waarde. De samenleving wijzigt zich echter in een steeds sneller tempo. Er zijn ontwikkelingen die Maria Montessori in haar tijd onmogelijk kon voorzien. Onze school heeft daarom gekozen voor een eigentijdse invulling van het gedachtegoed van Montessori. Dit houdt in, dat niet meer alle materialen op de oorspronkelijke wijze worden gehanteerd en dat bijvoorbeeld computers volledig zijn opgenomen in het lesprogramma. Ook worden nieuwe materialen en methoden gebruikt als deze passen bij de uitgangspunten van Montessori, maar beter en eigentijdser in het gebruik zijn. In beperkte mate houdt dit ook in dat groepslessen worden gegeven.

Hierdoor is een zeker spanningsveld ontstaan met de voorwaarden, die aan een Montessorischool worden gesteld. Het uitgangspunt van onze school is, dat in ieder geval aan de eisen van de landelijke schoolinspectie moet worden voldaan. Dit betekent dat de school permanent zoekt naar mogelijkheden om aan die eisen zo ‘montessoriaans’ mogelijk invulling te geven.


2.2 Onze uitgangspunten
Het bovenstaande heeft geleid tot de volgende uitgangspunten:
De Montessoribasisschool Roermond is een school die kinderen uit Roermond en
omgeving de mogelijkheid biedt om Montessorionderwijs te volgen. Als de vraag naar ons onderwijs groter is dan het aanbod, heeft de school de inspanningsverplichting om het aanbod aan te passen aan de vraag.
De Montessoribasisschool Roermond is een school die naadloos dient aan te sluiten bij het voortgezet onderwijs in de regio.
De Montessoribasisschool Roermond is een school die er naar streeft om uit kinderen te halen wat er in zit.
De Montessoribasisschool Roermond is een montessorischool die er naar streeft nieuwe inzichten te verwerken in het onderwijsleerpakket en didactisch en pedagogisch handelen.
De Montessoribasisschool Roermond is een school waar computers volledig zijn geïntegreerd in het lesprogramma.

2.3 Het pedagogische klimaat van de school.
Kinderen hebben behoefte aan ruimte voor zichzelf en hun ontwikkeling. Ze hebben behoefte aan een gezonde leefomgeving, zodat ze hun bestaan vitaal vorm kunnen geven. Het is belangrijk dat volwassenen de drie aloude basisbehoeften van de mens in het kind erkennen en in onze opvoeding op school en thuis vormgeven, te weten:
Kinderen hebben behoefte aan gezonde voeding, frisse lucht en ritmische afwisseling tussen inspanning en ontspanning.
Kinderen hebben behoefte aan wederzijds vertrouwen en acceptatie binnen hun sociale relaties, zowel tussen henzelf en de volwassenen in hun omgeving, als in contacten met hun leeftijdsgenootjes. Wij hechten daarom groot belang aan een vriendelijke en veilige sfeer op school: pas als het kind zich veilig voelt kan het zich ontwikkelen.
Kinderen hebben behoefte aan uitdagingen die het leven de moeite waard maken en doen dus een appèl op onze inzet, verantwoordelijkheid en creativiteit. Daarom vinden wij het belangrijk dat er in de school boeiend onderwijs wordt gegeven, dat de kinderen uitdaagt nog onbekende terreinen te onderzoeken.
De ontwikkeling van de kinderen moet leiden tot een evenwichtigheid tussen hoofd, hart, en handen. De volwassenen hebben een belangrijke taak als cultuurdragers, want zij kunnen voor kinderen een voorbeeld zijn ten aanzien van de vraag wat 'wederzijds respect' betekent.
Op de Montessorischool wordt van oudsher getracht het onderwijs zoveel mogelijk af te stemmen op de behoeften van ieder kind. Differentiatie in instructie en verwerking dragen ertoe bij dat het onderwijs voor de kinderen op maat wordt gesneden. Observaties en toetsingen vormen daarbij belangrijke hulpmiddelen.
De zorgstructuur, de specialiteiten (functies) van de leerkrachten en de inrichting van het gebouw dragen hier toe bij.










 
Terug naar boven
Copyright © 2010 by "Montessori Basisschool Roermond"   ·   All Rights reserved