Montessori basisschool
           Roermond

DE ORGANISATIE VAN HET ONDERWIJS

Het gebouw
Onze school heeft een betrekkelijk groot schoolgebouw. Het is in 1992 in gebruik genomen. De school heeft de beschikking over 11 groepslokalen, een gymlokaal voor de jongste kinderen, een gemeenschapsruimte met een podium, een multifunctionele ruimte waarin onder andere handvaardigheid plaatsvindt, een teamruimte, één directiekamer, meerdere multifunctionele ruimtes, 4 wc-blokken, 7 berghokken en 1 schoonmaakkast. De bouwen (onder-, midden- en bovenbouw) hebben elk een eigen unit. Elke unit heeft een eigen gemeenschappelijke ruimte, waarin kinderen de mogelijkheid hebben individueel of in groepjes te werken of te spelen. In deze ruimtes voor midden- en bovenbouw is ook een documentatiecentrum gemaakt. Elk groepslokaal in de midden- en bovenbouw heeft de beschikking over een ruimte buiten het klaslokaal. In deze ruimte kan door kinderen individueel gewerkt worden. De orthotheek is gehuisvest in de spreek- werkruimte. Het gebouw biedt dus buiten de klaslokalen ook mogelijkheden voor de leerlingen om zelfstandig te werken. Gezamenlijke activiteiten worden in de grote centrale hal georganiseerd. Het overblijven vindt plaats in de lokalen.

In het ontwerp van het gebouw is rekening gehouden met de Montessoriaanse werkwijze van het onderwijs. De hele school is een voorbereide omgeving voor de kinderen, die prikkelt tot activiteit. De vormgeving en inrichting van het gebouw is erop gericht zoveel mogelijk in te spelen op de verschillende leer- en vormingsgebieden met het oog op de ontwikkelingsmogelijkheden van de kinderen.

De gymnastieklessen en de zwemles vinden plaats in respectievelijk de Jo Gerris Hal en de Roerdomp. Deze accommodaties grenzen aan het perceel van de school.

Inrichting van het leerproces; verdeling van tijd over leer- en vakvormingsgebieden.
Binnen het Montessori basisonderwijs wordt in principe de volgende groepsindeling gehanteerd:
- onderbouw: 4 t/m 6 jarigen groep 0, 1 en 2
- middenbouw: 6 t/m 9 jarigen groep 3, 4 en 5
- bovenbouw: 9 t/m 12 jarigen groep 6, 7 en 8
Hiervan kan afgeweken worden indien de leerlingenaantallen in de diverse bouwen erg uiteenlopen.
Met de manier waarop de verschillende bouwen zijn opgezet, wordt voor wat betreft de verschillende leer- en vormingsgebieden ingespeeld op de ontwikkelingsmogelijkheden van de kinderen. Er kan met betrekking tot de mogelijkheden op een bepaald vormingsgebied een concentratie bestaan in een bepaalde bouw. Het is ook mogelijk een globale verdeling te maken over twee of meer bouwen. De activiteiten, die een kind heeft gekozen en verricht, worden geregistreerd. De geregistreerde informatie over de ontwikkeling van individuele kinderen wordt gebruikt om tot een meer specifieke begeleiding te komen, zodat na kortere of langere tijd voor elk kind sprake is van een evenwichtige ontwikkeling.

Hoe de inhoud van het onderwijsleerproces bijdraagt tot de gewenste onderwijsresultaten.
Onderwijs is een doelgericht proces. We streven er naar kinderen door middel van onderwijs kennis te laten vergaren en vaardigheden onder de knie te laten krijgen, die zij voordien niet beheersten. Het onderwijsleerproces wordt daartoe regelmatig geëvalueerd. Daarvoor zijn de volgende voorwaarden vereist:
- Beginsituatie
Op de eerste plaats moeten we inzicht hebben in de beginsituatie van de kinderen. Dat wil zeggen: we moeten weten welke kennis en vaardigheden de kinderen al voorafgaande aan de leeractiviteiten of als resultaat van eerdere leeractiviteiten in huis hebben.
- Eindsituatie
Op de tweede plaats moeten we een goed uitzicht hebben op de eindsituatie die we willen bereiken. Dat wil zeggen: we moeten weten welke kennis en vaardigheden we de kinderen door middel van ons onderwijs eigen laten maken. Anders gezegd: we moeten weten welke leerdoelen we willen bereiken.
- Instructieplan
Op de derde plaats moeten we op basis van deze gegevens een helder instructieplan maken, dat aangeeft op welke wijze, met welke hulpmiddelen en binnen welke termijn we de kinderen van de feitelijke beginsituatie naar de eindsituatie willen brengen.
Toegepast op het basisonderwijs geldt dit alles zowel voor de 'grote sprong' van het begin van het eerste leerjaar naar het eind van het achtste leerjaar als voor de vele 'kleine sprongetjes' die in de tussenliggende periode gemaakt worden. Elk sprongetje heeft in wezen zijn eigen feitelijke beginsituatie en zijn eigen beoogde eindsituatie. Elk sprongetje vergt dus ook een eigen instructieplan.

Dat is echter nog niet alles.
- Evaluatie
Wil onze opzet slagen, dan is er nog een vierde voorwaarde waaraan voldaan moet worden. Zowel na afloop van de 'grote sprong' als na afloop van één of meer 'kleinere sprongetjes' moet nagegaan worden of we onze doelen bereikt hebben. Er moet dus geëvalueerd worden. De tussentijdse evaluatie na één of meer 'kleinere sprongetjes' in de leergang levert informatie op, aan de hand waarvan het instructieplan zodanig aangepast kan worden dat alle kinderen een ononderbroken leergang naar de gestelde einddoelen kan worden geboden. De evaluatie die na de "grote sprong" behoort plaats te hebben, levert informatie op over de leerlingen (in welke mate hebben zij van het gegeven onderwijs geprofiteerd?) en over het gegeven onderwijs (in welke mate hebben we de gestelde einddoelen bereikt?) Op basis van dat laatste kan het instructieplan worden verbeterd in het belang van volgende generaties kinderen.
In de dagelijkse onderwijspraktijk zijn we eigenlijk voortdurend bezig na te gaan of de leerlingen geleerd hebben wat we hopen dat ze geleerd hebben. De kinderen kiezen, we geven opdrachten, praten met ze, we observeren ze, we geven mondelinge beurten, we stellen vragen, we kijken werk na, we overhoren, we geven toetsen enz. Op zichzelf is dit alles zeer waardevol en onmisbaar, maar we moeten ons wel realiseren dat er aan deze wijze van beoordelen niet alleen voordelen maar ook nadelen kleven. Een voordeel is, dat deze wijze van beoordelen goed aansluit bij het gegeven onderwijs. Een nadeel is, dat er in de meeste gevallen weinig zekerheid is over de kwaliteit van het informele beoordelen door de afhankelijkheid van allerlei toevalligheden, het optreden van subjectiviteit bij de beoordelaar en de ondoorzichtigheid van de gehele beoordeling voor derden. Bovendien ontbreekt elke basis voor een vergelijking met wat elders in het onderwijs gebeurt.
Deze tekorten moeten worden ondervangen door meer adequate evaluatiemomenten. Bij het beoordelen van het onderwijsleerproces worden in onze school dan ook de volgende methoden gehanteerd:

a. Het hanteren van toetsen, die systematisch en objectief informatie verschaffen over:
De leerling:
De leervoorwaarden: zijn de kinderen leesrijp, rekenrijp?
De leerprestaties: heeft het kind voldoende vorderingen gemaakt ten gevolge van het ontvangen onderwijs?
De oorzaken van leermoeilijkheden: diagnostische toetsen.
Het voldoen aan bepaalde eisen bij de overgang naar het vervolgonderwijs: hulp bij selectie.
Het gegeven onderwijs:
in hoeverre heeft het onderwijs effect gehad in de klas als geheel?

b.
Het systematisch corrigeren en het maken van een foutenanalyse:
Al het werk dat kinderen verrichten, is vanuit diagnostisch standpunt de moeite waard. Het is natuurlijk niet mogelijk om al het (schriftelijk) werk uitvoerig te bestuderen, maar met een doordachte selectie daaruit kan dat wel. Deze momenten van intensieve correctie worden zorgvuldig gekozen.

c. Het observeren van leerlingen:
Naar de denkbeelden van Maria Montessori is individuele begeleiding pas mogelijk wanneer er over het kind en zijn doen en laten voldoende objectieve gegevens ter beschikking staan. Daarom heeft de leider in haar klas, als pedagoog en onderwijsgevende, talrijke functies. Hij is observator en treedt handelend op in de positie als gezagsfiguur. Het betreft dus observatie door een deelnemer die medeverantwoordelijkheid draagt voor wat er gebeurt. Dit is dus meer dan observatie door een toeschouwer. Het is participerende observatie. Hierdoor is er een wisselwerking tussen observator en geobserveerde. Door observatie en openheid ziet hij de reacties van de kinderen op zijn handelen en stelt hij voor zichzelf dat handelen ter discussie.
Objectief zijn is hierbij erg belangrijk. Objectief wil zeggen: zonder vooroordelen, ondubbelzinnig, waarbij waarden, gevoelens en idealen op afstand worden gehouden. Pas dan worden de gegevens over het kind juist geïnterpreteerd. Bij het interpreteren worden de observatiegegevens bekeken tegen de achtergrond van de individuele vooruitgang van het kind en de algemene ontwikkelingslijn van kinderen.

d. Het opbouwen van dossiers:
Voor elk kind wordt een map aangelegd en bijgehouden.

e. Het bespreken van leerlingen:
· individuele leerlingen:
In de teambesprekingen krijgt elke leerkracht minimaal twee keer per jaar gelegenheid bepaalde leerlingen voor het voetlicht te halen. Dit kan voor de desbetreffende leerling een gunstige uitwerking hebben met het oog op zijn verdere behandelingsplan. Het kan ook een preventieve, heilzame werking hebben voor andere leerlingen, omdat de leerkrachten bewuster naar leerlingen gaan kijken.
· groepen leerlingen:
Een klas als geheel wordt besproken binnen het gehele team. Een groep leerlingen wordt besproken binnen een bepaalde optiek.

f. Het communiceren met leerlingen:
Leerlingen zijn menselijke wezentjes met wensen en angsten. Zij hebben een onderwijskracht nodig, die begrip heeft, rechtvaardig is en vertrouwen schenkt. De onderwijskracht praat regelmatig met elk kind. Dit biedt de mogelijkheid voor kinderen zich (positief) uitspreken over wat ze hindert in de klas of in de groep. Daarbij kan het kringgesprek een belangrijke rol spelen.

g. Het evalueren van het gedrag van de onderwijskrachten:
Elke onderwijskracht heeft zijn eigen werkwijzen en manieren van omgaan met kinderen. Ieders onderwijsgedrag wordt regelmatig geobserveerd, geïnterpreteerd en besproken. Via wederzijds klassenbezoek kan onderwijsgedrag bespreekbaar worden gemaakt. Het spreekt vanzelf, dat de persoon van de onderwijskracht daarbij in zijn waarde gelaten wordt. Belangrijk daarbij is een gezond klimaat waarin leerkrachten voor elkaar respect en waardering opbrengen.

h. Het bespreken van thema's binnen het team:
Teambesprekingen met als onderwerp de inhoudelijke en organisatorische aspecten van het onderwijsleerproces kunnen belangrijke evaluatiemomenten zijn (bijv. methodebesprekingen).

i. Het communiceren met alle geledingen:
Intensieve contacten met bestuur, medezeggenschapsraad, ouder participatie groep en met de afzonderlijke ouders op ouderavonden zijn ook voor de evaluatie belangrijk. Op basis hiervan kan het beleid bijgestuurd worden.

3.2 De samenstelling van het team
Het schoolteam bestaat uit de volgende medewerkers:

De directeur
De directie heeft de eindverantwoording voor de gehele gang van zaken op school met betrekking tot onderwijsinhoudelijke, schoolorganisatorische, financiële en materiële zaken, personeelsbeleid en contacten met instanties.

De zorgcoördinator/ interne coördinator
De zorg voor kinderen en alles wat daarmee te maken heeft, wordt gecoördineerd door een leerkracht, die wij zorgcoördinator noemen.

Bouwcoördinatoren
De boven-, midden- en onderbouw hebben een eigen coördinator. Deze leerkracht heeft tot taak de onderwijskundige en organisatorische aangelegenheden van een bepaalde bouw te coördineren en te communiceren naar de directie.

De groepsondersteuner
Deze leerkracht geeft hulp aan die leerlingen die extra of speciale hulp nodig hebben. Dit gebeurt individueel of in een groep. De bedoelde leerkracht neemt de groep over.

De groepsleraar
Deze leerkracht heeft de verantwoording over een groep van leerlingen. Sommige groepen hebben twee leerkrachten.

ICT’er
Deze medewerker houdt zich bezig met informatie- en communicatietechnologie.

Leerkracht creatieve vorming
Deze leerkracht geeft hoofdzakelijk aan de midden- en bovenbouw creatieve en dramatische vorming.

De interieurverzorgster
Deze zorgt er voor dat er dagelijks gereinigd wordt.

De administratief ondersteuner
Deze houdt zich bezig met o.a. de financiële en leerlingenadministratie

3.3 De activiteiten voor de kinderen
Het ontwikkelingsaanbod voor kinderen in de onder-, midden- of bovenbouw bestaat uit drie soorten activiteiten, te weten:
· activiteiten waarbij een kind een begeleide keuze doet uit een aanbod dat voor bepaalde ontwikkelingsgebieden aanwezig is.
· activiteiten die naar aanleiding van een groepsles als keuze aan het kind worden aangeboden.
· activiteiten die volgens rooster gepland zijn. Het kan hier gaan om activiteiten op school (bijvoorbeeld bewegingsonderwijs, weeksluiting e.d.) of elders (bijvoorbeeld zwemmen).

Basisvaardigheden
In de onderbouw wordt veel met het ontwikkelingsmateriaal gewerkt (zie hierboven bij ‘montessorimateriaal’). De taalontwikkeling wordt bij kleuters de hele dag gestimuleerd, vaak met hun eigen belevingen als uitgangspunt. In de kring vinden kringgesprekken plaats, er wordt voorgelezen en verteld, er worden taalspelletjes gedaan en gedichtjes geleerd. Het zelf kiezen, klaarleggen en zelfstandig werken met het materiaal stelt eisen aan het organisatievermogen van het kind. Zo ontwikkelt het kind naast een speelhouding ook een werkhouding. De kleuters krijgen de gelegenheid naar eigen aanleg, tempo en ontwikkelingsniveau te werken. De motorische ontwikkeling wordt ook gestimuleerd, door gym- en spellessen. Door middel van lesjes met het huishoudelijk materiaal en lesjes in orde, beleefdheid en hygiëne leren de kinderen zorg te dragen voor hun omgeving.
De creatieve ontwikkeling is verweven in het dagelijks programma. Bovendien zijn aan seizoenen en festiviteiten speciale knutselmomenten gekoppeld. Er is in de onderbouw ook al veel aandacht voor de ontwikkeling van kennis (cognitieve ontwikkeling): het lezen en schrijven wordt voorbereid (letters en leesmateriaal), evenals het tellen en rekenen. Er wordt ook computeronderwijs gegeven. Veel kinderen die naar de middenbouw gaan, kunnen dan ook al in een bepaalde mate lezen en rekenen.

In de midden- en bovenbouw is er veel aandacht om de basisvaardigheden (lezen, schrijven, taal en rekenen) uit te bouwen. Ook hier wordt rekening gehouden met aanleg en tempo van het kind. Veel materialen helpen het kind zich door middel van zelfwerkzaamheid verder te ontwikkelen: letterdozen voor het maken van verhalen, taaldozen voor het inzicht in woorden en zinnen, rekenmaterialen voor het bewerken van grote en kleine getallen. Daarnaast vragen sommige vaardigheden speciale lesjes en oefenopdrachten met bijvoorbeeld de computer (spelling en automatiseren van het optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen). Deze oefeningen en lesjes worden volgens de montessorimethode aangepast aan het ontwikkelingsniveau van het kind.


Groepslessen.
Het individueel werken van de leerling wordt afgewisseld met groepsgebonden activiteiten. De groepslessen kennen een korte inleiding over een bepaald onderwerp. Daarna kunnen de kinderen vragen stellen en met opdrachten over de aangeboden stof aan het werk gaan. Deze opdrachten kunnen verschillen in moeilijkheidsgraad.

Kosmisch onderwijs / wereldverkenning
Op de middagen komen vaak wereldoriënterende vakken aan bod. Aardrijkskunde, natuuronderwijs en geschiedenis worden hoofdzakelijk door de leerlingen individueel gedaan, waarbij gebruik wordt gemaakt van zowel methodisch materiaal als projecten, die in de loop der jaren zijn verzameld. Via gevarieerde werkvormen raken kinderen sterk betrokken bij thema's die aan de orde komen. Daarnaast gebruiken we het projectaanbod van schooltelevisie.
Natuurlijk is er veel aandacht voor informatieverwerking in de vorm van werkstukken, spreekbeurten en boekbesprekingen. Dit aspect neemt vooral in de bovenbouw een belangrijke plaats in.

Kunstzinnige vorming
De vakleerkracht biedt per schooljaar verschillende teken- en handvaardigheidtechnieken aan de kinderen aan. Omdat we de kinderen optimaal willen begeleiden in hun totale ontwikkeling is in onze school bewust gekozen voor vaklessen, die door specialisten verzorgd worden. De groepsleraar kan nu eenmaal niet op elk vakgebied een specialist zijn.

Bewegingsonderwijs
Voor de onderbouwgroepen wordt elke dag tijd voor spel en beweging ingeruimd. Dit kan zowel in de gymzaal, speelzaal als buiten. De middenbouw- en bovenbouwkinderen hebben eenmaal per week bewegingsonderwijs. Voor de kinderen in groep 4 en 5 is er naast gymles ook nog zwemonderwijs. Daar krijgen ze zwemles voor het behalen van het 'ABC-diploma'.

Activiteiten en evenementen
Verspreid over het gehele schooljaar worden tal van activiteiten en evenementen georganiseerd. Een greep uit het activiteitenrooster
- Herfst- en / of lentewandeling
Hierbij maakt het kind kennis met de natuur. Door opdrachten op diverse niveaus leren de kinderen gericht kijken. In de klas kan ieder kind (of een groepje kinderen) dit op eigen wijze uitwerken. De herfst- en / of lentewandeling vindt tenminste eenmaal per jaar plaats. Dit gebeurt in samenwerking met de ouders.
- Sinterklaas feest
Deze sociaal en cultureel getinte viering brengt een aantal activiteiten met zich mee. Expressievakken als drama, dans, muziek en handvaardigheid maken een groot deel uit van het Sinterklaasgebeuren. In de vorm van een weeksluiting en aansluitend een klassenbezoek door de Sint wordt het feest afgesloten.
- Carnavalsviering
Dit vindt plaats op de donderdagmiddag voor carnaval.
- Schoolreisje
De school is van mening, dat deze activiteit van belang is voor de sociale ontwikkeling van kinderen. In de onder- en middenbouw en groep 6 is hiervoor een dag gereserveerd.
- Schoolkamp

Ter b
evordering van de sociale ontwikkeling gaat de bovenbouw (groep 7 en 8) drie dagen op kamp. Dit geschiedt onder leiding van een aantal groepsleerkrachten en ouders (en eventueel andere vrijwillig(st)ers). De activiteiten zijn sport, spel, zwemmen, excursies, drama e.d
- Zomerfeest
Dit vindt plaats aan het einde van het schooljaar op een woensdag. Activiteiten: sport, spel en beweging in heterogene groepen.
- Verjaardag leerkracht
Voor de verjaardag van de groepsleerkracht wordt hoogstens een hele dag uitgetrokken.
- Excursies
Deze hangen nauw samen met de actualiteit en met hetgeen er op diverse gebieden georganiseerd wordt. Excursies kunnen ook voortvloeien uit een algemene les of spreekbeurt.
- Weeksluiting
Hiervoor wordt ruim een half uur per week uitgetrokken. Alle groepen komen dan per toerbeurt samen in de gemeenschapsruimte. Iedere groep voert iets op voor de andere groepen. Hierbij kan gedacht worden aan b.v. toneel, muziek, dans en schimmenspel.

3.4 Sponsoring
In principe wordt onze school niet gesponsord. Indien zich echter zaken voordoen ten aanzien van sponsoring, die lucratief kunnen zijn, neemt het bestuur daarover een besluit dat besproken wordt met de medezeggenschapsraad. Deze sponsoring zal geen invloed hebben op het onderwijs, maar wel op de materiële instandhouding ervan. De sponsor mag geen tegenprestatie verlangen.











\

 
Terug naar boven
Copyright © 2010 by "Montessori Basisschool Roermond"   ·   All Rights reserved